Ik tel mee, ik tel niet mee

22-03-19

Het is zondag in mijn nieuwe huis. 10:30u. Heel het dorp zit in de kerk en ik zit sjacherijnig thuis. Met koffie en stroopwafels, dat wel.

Ik was ook naar de kerk gegaan. Mijn huis staat naast een schattig kerkje. Maar daar was helemaal niemand. Ok, nieuw plan. Ik probeerde de dorpskerk iets verderop. Daar was iedereen. De kerk was zo vol dat er geen plek meer voor mij was. Ik heb het 5 minuten geobserveerd. Er zaten mensen op klapstoeltjes in de gangpaden. Maar geen losse klapstoeltjes te bekennen. Er zaten mensen helemaal voorin die ik kende, en de dominee kwam me ook bekend voor. Beide niet in een positie om hulp te vragen. Af en toe draaide iemand zich om om naar me te kijken. Ik stond daar ook wel gek. Maar niemand bood een stoel aan. Toen dacht ik aan de koffie en mijn bankje in mijn nieuwe huis. Aha, nieuw plan. Het begon te regenen toen ik terugfietste. Ik werd boos. Ik had 2 keer mijn plan veranderd en nu regende het.

Wandelen en mediteren, het klinkt zo makkelijk. Waarom kost het me dan vaak zo lang voordat ik het doe? Want ik was niet alleen sjacherijnig van de regen of de volle kerk. Er zat me al dagen wat dwars. Ik wist alleen niet wat. En juist wandelen en mediteren helpt me om erachter te komen wat er met me is.

De komst van een nieuw planbord die middag helpt me om weer grip te krijgen. Ik plan een wandeling in en krijg meteen zin om naar buiten te gaan. Mijn nieuwe omgeving te voet ontdekken en mijn gedachten laten uitrazen. Het lopen werkt verhelderend.

Na het lopen ga ik mediteren. Dit belooft toch nog een goed ingevulde zondag te worden. Tijdens de meditatie richt ik mijn aandacht een paar minuten op mijn buik. Mijn buik vertelt dan over angst en boosheid en verdriet. Ik probeer geen vragen te stellen maar alleen te luisteren. Soms begrijp ik het meteen. Deze keer niet. Mijn buik heeft veel te vertellen maar ik begrijp het niet. Wat is er toch met me aan de hand?

Als het belletje van de meditatie app klinkt richt ik mijn aandacht op mijn ademhaling. Daar wordt ik rustig van en ik ontspan. Na de meditatie vouw ik mezelf op om op mijn veel te kleine bankje een dutje te gaan doen. Ik doe mijn ogen dicht en binnen 5 minuten krijg ik antwoord.

De bedrijfsarts waar ik begin van de week geweest ben popt op in mijn gedachten. Hij zei dat mijn beperking waarschijnlijk permanent was. Dat hij me ging beperken op dit en op dat en op dat. Ik had dat gesprek met mijn hoofd gedaan. Nu pas realiseer ik me dat ik boos en verdrietig en bang ben geworden door zijn woorden. "Ja!" roept mijn buik, "Boos en bang en verdrietig!". (En ik maar buikkramp en rugpijn hebben de hele week en niet snappen dat het gewoon emoties waren.)

Ik pak pen en papier en ga schrijven. En al schrijvend komt er ruimte voor die andere dingen die ik deze week gehoord heb. Die complimenten: "Je bent mooi van binnen en van buiten" "Je hebt al zoveel bereikt" "Jij bent een prettige collega, je krijgt een sleutel". Allemaal in een paar dagen tijd. Ik doe er dus nog steeds toe.

Want dat is volgens mij de kern bij mij. Ik tel mee, ik tel niet mee. De vraag waar ik telkens over struikel. Tel ik nou mee of niet? Mijn kernovertuiging is uiteraard dat ik niet mee tel. En helaas ga ik daar nogal autistisch mee om: ik ben er niet vanaf te brengen. Ondanks zeer overtuigend bewijs van het tegendeel. Heel hardnekkig. Mijn grootste angst blijkt telkens waar te zijn als ik iets doms doe of iets niet goed kan. Of als de bedrijfsarts praat over permanente beperkingen. Zie je wel, zegt dat stemmetje dan. Je telt niet meer mee.

Maar dat is niet waar, ik wéét dat het niet waar is. Ik tel mee, alleen al omdat ik er gewoon ben. Nu kost het me een week om de gewiekste structuren van mijn psyche te ontwarren die me laten geloven dat ik niet mee tel. Vroeger kostte dat jaren. Misschien zal ik de rest van mijn leven moeten vechten tegen die vervelende kernovertuiging. Zolang ik er ben zal ik toch weten dat ik mee tel.

meer van mij lezen?